Dyslectici zouden problemen hebben de grafemen (schrifttekens) te relateren aan de overeenkomstige fonemen (spraakklanken). In overeenstemming met deze hypothese werden zowel in PET-onderzoeken als in ERP-onderzoeken afwijkende resultaten gevonden in rijmtaken bij dyslectici ten opzichte van controlepersonen.
Steeds vaker ziet men dat slechte lezers ook moeite hadden met bepaalde taalvaardigheden zoals het onthouden en reproduceren van losse gegevens, het snel benoemen van plaatjes en rijmen. Ook bemerkten ze lichte woordvindingsmoeilijkheden en moeilijkheden bij het formuleren van complexe zinnen.
Toch is het zo dat wanneer aan ouders gevraagd wordt hoe de taalontwikkeling van hun kind verlopen is, die meestal als normaal wordt beschreven.
Op het eerste zicht valt er inderdaad niets opvallends op. Het is maar wanneer er diepgaander wordt op ingegaan dat de taalproblemen die specifiek zijn bij dyslexie naar voren komen. Dyslectici hebben namelijk een tragere verwerkingssnelheid van taal door de hersenen.
Dit kan het best worden vergeleken met het aanleren van een vreemde taal; onze moedertaal hebben we onbewust geleerd maar bij het leren van een tweede en/of derde taal op kinder- of volwassen leeftijd leren we eerst bewust te luisteren naar de verschillende klanken die eigen zijn aan die taal. Je leert als het ware horen over welke taal het gaat. Zelfs al versta je nog geen woord van die taal, door de klanken kan het onderscheid tussen verschillende talen gemaakt worden.
Dan pas wordt de woordenschat aangeleerd en de zinsbouw. Het is belangrijk dat bij het aanleren van een nieuwe taal er niet teveel informatie snel na elkaar wordt aangeboden want onze hersenen kunnen die snelheid dan niet verwerken. Ook mag de aangeboden informatie niet te ingewikkeld zijn want we beschikken nog niet over voldoende kennis en dus kunnen onze hersenen de binnengekomen informatie niet verwerken.
Adelaarsstraat 13/b002, 9051 Sint-Denijs-Westrem / tel.: 0476/827525 / e-mail: info@ecdyslexie.be